Hulp en handel samen in het Dutch Good Growth Fund?

Maandag 11 november was een belangrijke dag voor minister Ploumen (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking). Kamerleden gingen in debat met de minister over het Dutch Good Growth Fund (DGGF), een van de stokpaardjes van het beleid van Lilianne Ploumen. Maar wat houdt dit DGGF eigenlijk in? En wat zijn de belangrijkste knelpunten volgens de Kamer?

Het fonds in het kort

In het regeerakkoord van dit kabinet werd het DGGF als revolverend fonds van 750 miljoen euro al aangekondigd. Inmiddels is het fonds verlaagd met 50 miljoen euro. Dit geld zal ten goede komen aan de allerarmsten. In de nota ‘Ondernemen voor ontwikkeling’ van september van dit jaar heeft de minister dit fonds verder uitgewerkt. In 2014 zal het DGGF van start moeten gaan, halverwege 2014 zullen de eerste aanvragen ingediend kunnen worden.

Het doel van het fonds is ‘het intensiveren van ontwikkelingsrelevante investeringen in en handel met lage- en middeninkomenslanden’.  Dit zal moeten gebeuren aan de hand van de ‘3 sporen’ in het fonds: financiering van het Nederlandse MKB dat wil investeren in lage- en middeninkomenslanden; financiering van het MKB in zulke landen zelf; en financiering van het Nederlandse MKB dat wil exporteren naar ontwikkelingslanden.

Vraagtekens

Maar Kamerleden zetten nog veel vraagtekens bij het fonds. Ontwikkelingsrelevantie is het kernbegrip, maar wat is dat precies? En vooral, hoe meet je dat? Tijdens het debat zei minister Ploumen een paar succesindicatoren toe: werkgelegenheid, productiviteit van het lokale MKB, het aantal jonge en vrouwelijke ondernemers. Maar voornamelijk de SP en GroenLinks wijzen erop dat economische groei niet per definitie ontwikkelingsrelevant hoeft te zijn en in het belang van de allerarmsten. Ontwikkelingsrelevantie zou dan ook breder gedefinieerd moeten worden, door bijvoorbeeld het tegengaan van ongelijkheid erin op te nemen.

Daarnaast was er veel discussie over de vraag of het fonds een terugkeer is naar gebonden hulp, of niet. Bram van Ojik van GroenLinks is het op dit punt totaal oneens met de minister. Hij vindt dat via het DGGF ontwikkelingshulp gebonden wordt aan steun voor Nederlandse bedrijven (aangezien zij dit geld ontvangen). Het fonds financiert het Nederlandse MKB vanuit geld voor armoedebestrijding, maar ook het financieren van MKB in ontwikkelingslanden gaat via Nederlandse banken. Minister Ploumen is het met deze notie totaal oneens. Het DGGF gaat over hulp en handel, niet alleen over hulp. Nieuwe tijden vragen om nieuwe instrumenten en het DGGF is daar dan een goed voorbeeld van.

Tijdens het debat werden er door de oppositiepartijen veel moties ingediend. Vooral de exportfinanciering (spoor 3) krijgt veel kritiek. Transparantie rondom bestaande exportfinanciering is zeer beperkt. Zo publiceert Atradius DSB, wat de uitvoerder van spoor 3 zal worden, geen jaarrekeningen, waardoor financiën van dit bedrijf moeilijk te controleren zijn. Daarnaast vinden veel partijen dat financiering van export van Nederlandse bedrijven niet uit het budget van ontwikkelingssamenwerking hoort te komen. De minister stelde hier tegenover dat het ontwikkelingsrelevant kan zijn wanneer het gaat om goederen als landbouwwerktuigen voor boeren.

Het Fair Politics programma van de FMS vindt dat de belangen van ontwikkelingslanden centraal moeten staan in het fonds. Daarom is het van groot belang dat ontwikkelingsrelevantie voorop staat, zodat de financiering uit het fonds rechtstreeks ten goede komt aan ontwikkeling en armoedebestrijding. Investeringen en handel kunnen een grote bijdrage leveren aan werkgelegenheid en economische groei. Het is essentieel dat dit wel op een duurzame en maatschappelijk verantwoorde manier gebeurt. Begin december zal de Kamer stemmen over de moties. Lees hier het gedetailleerde verslag van het debat op de Fair Politics website.  

Aanmelden nieuwsbrief

Meeschrijven voor de FMS? Stuur je inzending (maximaal 400 woorden) naar info@foundationmaxvanderstoel.nl