Tunesië: het land van hoop en paradoxen

Vrijdag 23 januari  2015 heeft de Tunesische regeringsleider Habib Essid de samenstelling van de nieuwe regering bekend gemaakt.  De nieuwe regering, onder leiding van president Béji Caïd Essebsi (BCE) (88) markeert een belangrijke stap in het transitieproces na de revolutie in 2011.  Na deze revolutie zijn in vrijwel alle landen in de regio opstanden uitgebroken, waaronder in Egypte, Libië en Syrië. Tunesië is tot op heden echter het enige land waar de transitie relatief geweldloos verloopt en waar nu een vorm van democratie gevestigd is.  De situatie in het land biedt daarom, zeker voor westerse landen, ‘ hoop voor bange dagen’. Dit optimisme is, zeker gezien de situatie in de eerder genoemde landen, gerechtvaardigd, maar er zijn ook enkele paradoxen en complicerende factoren die aanleiding geven tot het plaatsen van kanttekeningen.

Béji Caïd Essebsi (BCE)  won op 21 december met een meerderheid van 55% in een tweede ronde presidentsverkiezingen van de zittende interim president Moncef Marzouki (69).  Hij vervulde verschillende ministersposten onder president Bourquiba  en was tussen 1990 en 1991 parlementsvoorzitter onder de in 2011 verdreven dictator Ben Ali. In 2011 keerde BCE terug in de politiek om onder meer de overgangsregering  te leiden en Nidaa Tounes op te richten, de (seculiere) partij die in oktober 2014 met een meerderheid van 85% zetels de parlementsverkiezingen zou winnen.  

Essebsi’s paradoxale rol
BCE is ontegenzeggelijk één van de grondleggers van het huidige democratische systeem, maar zijn rol is paradoxaal. Het was onder zijn leiding dat vlak na de revolutie verdere officiële activiteiten door de partij van Ben Ali de Democratic Constitutional Rally (RCD)  werden verboden. Hiermee werd hij verantwoordelijk voor de liquidatie van de partij waar hij een belangrijk deel van zijn politieke carrière aan te danken had én waaruit hij tevens een belangrijk deel van het kader van Nidaa Tounes rekruteerde. De voormalige regeringsleider benoemde tevens  mensenrechtenactivist Kamel Jeboubibi tot voorzitter van de commissie die belast werd met het schrijven van de nieuwe kieswet. 

Deze kieswet maakt het ook voor kleine partijen mogelijk om parlementszetels te halen en verminderd daardoor tegelijkertijd de kans dat de populaire Islamitische partij  Ennahda (69 zetels in 2014) de verkiezingsuitslag kan domineren. De overwinning van BCE lijkt kortom niet alleen een belofte voor voorzetting van het democratisch proces maar tevens een garantie voor continuïteit van oude regime.

De paradox in de nieuwe Tunesische regeringsploeg
De voorlopige samenstelling van de nieuwe regeringsploeg vertegenwoordigt deze dubbelzinnigheid in optima forma. Huidig regeringsleider Habib Essid vervulde onder oud president Ben Ali verschillende cruciale ministersfuncties, waaronder die van minister van Binnenlandse Zaken. Het overgrote deel van de recent voorgestelde ministers en staatssecretarissen waren tot op heden relatief onbekend, maar vrijwel allen lijken te kunnen buigen op zeer intensieve contacten met het oude regime. Omdat deze rechtstreeks onder de president vallen, zijn op cruciale posten als Buitenlandse Zaken en Defensie ‘intimi’ uit de kring van Béji Caïd Essebsi benoemd met beiden een discutabele staat van dienst. 

De verkiezingsbelofte om een Kabinet samen te stellen dat de diversiteit onder de bevolking representeert heeft BCE niet waargemaakt, met het argument dat de kiezers van Nidaa Tounes welbewust niet op Ennahda hebben gestemd.  Een argument waar een kern van waarheid in zit.  Deze partij is daarom op een zijspoor gemanoeuvreerd, net als andere partijen die een goede verkiezingsuitslag wisten te realiseren.

De paradox uitgelegd
Politicoloog Ellis Goldberg  leverde een mogelijke verklaring voor deze paradox in Washington Post. Goldberg schrijft dat het succes van de Tunesische revolutie voor een groot deel gerelateerd moet worden aan het vermogen van de oude elite om zich aan te passen aan de veranderende situatie: “If you want things to stay as they are, they have to change.” Met andere woorden: het vermogen van de nieuwe president en zijn entourage om een partij op te richten die een in alle opzichten geloofwaardig alternatief vormde voor het oude regime heeft uiteindelijk voorkomen dat de omwenteling in Tunesië net als in Egypte in een catastrophe eindigde.

De stabiliteit van het ‘nieuwe oude’  regime moet zich nu gaan bewijzen. De verwachtingen van BCE zijn hoog gespannen, zowel onder de kiezers die hoopten op voortzetting van het democratisch proces áls de kiezers die vooral herstel van de politieke stabiliteit voor ogen hadden. Of beiden perspectieven met elkaar verenigd kunnen worden óf juist inherent tegenstrijdig zijn, zal de komende jaren blijken.

Door Faïrouz ben Salah

Aanmelden nieuwsbrief

Meeschrijven voor de FMS? Stuur je inzending (maximaal 400 woorden) naar info@foundationmaxvanderstoel.nl