Verzoeningsdialogen in Mali: een aanvulling

Woensdag 18 juni publiceerde Foundation Max van der Stoel een artikel over de situatie in Mali. Naar aanleiding van dit artikel schreef Nicolaas Vrijboer, woonachtig in Bamako, een aanvulling. 


Terecht besteedt FMS aandacht aan het conflict in de Sahel. Nederland is nu eenmaal verbonden met Mali, onder andere via de import van mango’s (!), omvangrijke ontwikkelingshulp en de Minusma.

Ook terecht zegt Aart van der Heide dat het probleem door de Maghreb- en Sahellanden zelf opgelost moet worden. Als die landen zich niet inzetten voor de oplossing dan heeft het weinig zin dat het buitenland (Europa en de Europese landen, de VN) er zich mee bemoeit.

Het conflict betreft de hele regio
In het overzichtsartikel op de website van FMS wordt aangegeven dat de geopolitieke toestand in Mali zorgelijk is. Dat is zo in Mali, maar ook in de hele Sahel, en dat komt niet doordat in Mali een politiek onervaren premier opgevolgd wordt door een andere enigszins onervaren premier. (Overigens is Moussa Mara burgemeester geweest van een deelgemeente van Bamako). Het ligt veel complexer.

Eeuwenlang werden goederen en mensen door de Sahara vervoerd. De Toearegs speelden een grote rol in dat vervoer, in handel en smokkel, en in de controle erop. Een deel van die handel raakte in verval door de opkomst van de scheepvaart en het accent verschoof naar illegale handel en vervoer (bijv. tabak, drugs, mensen).

Bodemschatten
Er zitten ook belangrijke hoeveelheden bodemschatten in de Sahara en de Sahel, een van de redenen voor de belangstelling voor dit gebied. Vanuit Frankrijk is aan het eind van de koloniale tijd zelfs getracht om een groot deel van de Sahara als Frans gebiedsdeel te behouden onder Toeareg-bestuur (OCRS, Gemeenschappelijke Organisatie van Sahara-regio’s). Dit is waarschijnlijk een van de verklaringen voor de Franse politiek ten opzichte van de MNLA (Toearegrebellen/ onafhankelijkheidsstrijders). Maar er zijn andere factoren die bijgedragen hebben aan de moeilijke situatie in Sahara en Sahel.

Mali, Algerije en Libië
Algerije joeg zijn moslim-extremisten en -terroristen de Sahara in, Mali liet ze begaan. De NATO en Frankrijk hielpen de onrust in Libië (onderdeel van de “Arabische lente”) te escaleren en Toeareg-huurlingen van Kadhafi trokken naar Mali en Niger. Mali liet ze begaan.

Mali, of liever gezegd de Malinese regering en de Malinezen, lieten ook verder veel begaan. Zeker onder president “ATT” werden politiek en administratie gekenmerkt door slecht bestuur, verslonzing van infrastructuren en toenemend nepotisme en andere corruptie. Vreemd genoeg werd Mali in die tijd vanuit het buitenland toch vaak aangeduid als een stabiele democratie, en buitenlandse hulp stroomde binnen.

Onder de bevolking kwam ondertussen wel steeds meer ontevredenheid op, maar grootschalige en gewelddadige sociale onrust bleef lang uit; veel mensen profiteren toch ook weer ergens van het systeem. Wellicht werd deze afwezigheid van onrust vanuit het buitenland gezien als bewijs voor de stabiliteit van de democratie.

Onrust onder de Toearegs
Onder de Toearegs in het noorden kwam de ontevredenheid wel verschillende keren tot uitbarsting. Gefrustreerd over het uitblijven van ontwikkeling en dromend over een eigen vrije staat, maar ook gefrustreerd omdat ze binnen hun eigen Toeareg-samenleving gemarginaliseerd waren, nam een kleine factie van Toearegs de wapens op. Het Malinese leger sloeg verschillende rebellieën hardhandig neer; vervolgens werden akkoorden gesloten. De ontevredenheid laaide echter steeds weer op. Uiteindelijk vormden ontevreden Toearegs de MNLA (Nationale Bevrijdings-Beweging van de Azawad).

Vanaf het begin was duidelijk dat dit geen homogene beweging was: de verklaringen die de woordvoerders buiten Mali uitgaven sloten vaak niet aan bij de realiteit van de strijd. Ook was het geen representatieve beweging, niet voor de Toearegs (die overigens ook in het noorden van Mali in de minderheid zijn) en zeker niet voor de gehele bevolking in het noorden (voornamelijk Peul, Sonrai, Bozo, Arabieren). Het optreden van de MNLA was ook vaak ongedisciplineerd; er werd geroofd en verkracht, en hiermee maakten ze geen vrienden onder de bevolking.

In hun strijd sloot de MNLA allianties met moslimterroristen. Dit was geheel in strijd met de door henzelf verkondigde ideologie van een seculiere staat, en ze ontkenden deze allianties dan ook lange tijd. Uiteindelijk werden ze zelf door dezelfde moslimterroristen aan de kant gezet en namen deze laatsten de macht in het noorden over.

Staatsgreep in Bamako
De regering in Bamako reageerde zwak op de situatie in het noorden en de macht lag voor het grijpen. Een groep militairen greep die dan ook toen hen bij protesten tegen de regering weinig in de weg werd gelegd. Hoewel de militaire junta verkondigde dat zij orde op zaken wilden stellen en het noorden snel terug wilden veroveren, leidde de staatsgreep tot een verdere verzwakking van het leger. Binnen korte tijd was het noorden aan alle controle door de Malinese regering ontsnapt.

Frans ingrijpen
In reactie op een uitval van moslimterroristen richting het zuiden grepen de Fransen militair in onder het mom van bescherming van Mali en de Malinese eenheid. Ze vielen de rebellen aan vanuit de lucht en later ook te land. Bij hun ingrijpen maakten ze echter een uitzondering voor de MNLA. Deze werd juist in bescherming genomen tegen het Malinese regeringsleger en kreeg in Kidal een nieuwe basis.

Na het ingrijpen van Frankrijk haalden de Malinezen in het zuiden in eerste instantie opgelucht adem, en Frankrijk werd er gezien als redder. Door veel Malinezen in het noorden werd Frankrijk beschouwd als bevrijder omdat ze de terreur van moslim-extremisten beëindigden. Helaas bleek de militaire operatie weinig meer dan een paar slagen op een mierenhoop: er werden terroristen gedood en gevangen genomen, maar anderen verspreidden zich en verborgen zich onder de bevolking en in de omliggende onherbergzame gebieden. De aanwezigheid van de MNLA in Kidal gaf de moslimterroristen een extra gelegenheid om zich te verbergen.

Terreur was even vervangen geweest door een gevoel van vrijheid, maar daarna kwam het terug in de vorm van terrorisme waartegen de legers van Mali, Frankrijk en de VN (de Minusma) weinig in bleken te kunnen brengen.

Het noorden van Mali is nu gedeeltelijk een speelbal (eigenlijk zou ik zeggen: vechtbal) van verschillende gewapende groepen die gebaseerd zij op etnische, (extremistisch-)religieuze, criminele en terroristische principes.

Dialogen
Het is belangrijk dat bovenstaande elementen meegenomen worden in de overwegingen over hoe om te gaan met de crisis in de Sahel en de Maghreb. Veronachtzaming van een of meerdere elementen kan tot vreselijke fouten leiden, net als in Afghanistan, Irak, Libië. (Overigens pretendeer ik niet dat dit overzicht volledig is).

De MNLA is een realiteit, maar heeft maar weinig representativiteit. Inmiddels zijn er andere organisaties van Toearegs naar voren gekomen en wellicht zijn die representatiever. Met name de CPA (Coalitie voor het Volk van de Azawad) komt voort uit de traditionele leiders en kan misschien een breder gehoor krijgen onder de Toearegs.

Hoopgevend is er belangrijke initiatieven zijn in samenwerking met de omliggende landen. De Minusma speelt hierbij, gedeeltelijk in de schaduw of achter de schermen, een rol. Algerije neemt, na een periode van relatieve stilte, ook weer stappen.

Recent hebben rebellengroepen in Algiers akkoorden getekend om via dialoog tot een oplossing te komen. Op 9 juni tekenden vertegenwoordigers van de MNLA, de HCUA (Hoge Raad voor de Eenheid van de Azawad) en de MAA (Arabische Beweging van de Azawad) een akkoord voor een exclusieve inter-Malinese dialoog. Helaas hebben de MNLA en delen van de HCUA en de MAA zich alweer van deze akkoorden gedistantieerd.

Op 14 juni tekenden de CPA, de CMFPR (Coördinatie van Bewegingen en Patriottische Fronten van Verzet) en een afscheiding van de MAA een akkoord om tot een voorbereidend platform voor overleg te vormen.

Het blijft moeilijk om voor dit soort akkoorden de steun krijgen van de vertegenwoordigers én de leden van de verschillende groepen. Moslim-extremisten zijn formeel uitgesloten van de voorbereidende onderhandelingen en er niet rechtstreeks bij betrokken. Wel spelen zij waarschijnlijk een rol binnen bovengenoemde bewegingen. Sowieso is het lastig om de verschillende bewegingen te onderscheiden omdat er steeds verschuivingen en vermengingen zijn tussen verschillende moslim-extremistische, criminele en onafhankelijkheidsbewegingen.
Het wachten is op de start van een werkelijke dialoog en daarvoor moet de regering in Bamako ook stappen zetten. De speelruimte van de regering wordt hierbij beperkt omdat een groot deel van de bevolking onderhandelingen met de gewapende groepen uit het noorden afwijst. De regering zal goed moeten communiceren over de stappen die zij neemt en de concessies die zij daarbij doet.

Ondertussen in Bamako
Ondertussen is het in de hoofdstad Bamako in het zuiden nog steeds rustig. De president en de nieuwe regering doen een paar goede stappen maar haperen ook en begaan af en toe fouten. Van economische ontwikkeling is nog steeds weinig te merken: er is nog steeds veel werkeloosheid, verval en corruptie, en onder de bevolking heerst daarover ontevredenheid. Die zou (ooit) wel eens tot uitbarsting kunnen komen, maar op dit moment lijkt het daar nog niet op. Ontevredenheid onder de bevolking zou ook geëxploiteerd kunnen worden door moslimextremisten, maar ook daarvoor zijn tot nu toe weinig aanwijzingen.

Een incidentele uitbraak uit de gevangenis kan niet als onrust aangemerkt worden. Die uitbraak is waarschijnlijk te wijten aan laksheid, corruptie, medeplichtigheid of een combinatie ervan; dat zal uit nader onderzoek moeten blijken.

Door Nicolaas Vrijboer

Aanmelden nieuwsbrief

Meeschrijven voor de FMS? Stuur je inzending (maximaal 400 woorden) naar info@foundationmaxvanderstoel.nl