Willem Hendrik de Beaufort, verhalen over Rusland

Willem Hendrik de Beaufort heeft ooit in militaire dienst Russisch geleerd en daar een interesse aan over gehouden voor de Russische cultuur. Sinds hij gepensioneerd is brengt hij met zijn vrouw jaarlijks enige tijd door in Russische of ex-Sovjet steden. Hij bewondert in het Russische volk de vaardigheid door alle regimes heen die cultuur te bewaren en hij vertrouwt erop dat dit ook nu gebeurt. Over zijn ervaringen schrijft hij korte verhalen. Hieronder zijn verhalen "Postkantoor," "Woonhuis / museum Sacharov" en "Musea."

Postkantoor
Nizjni Novgorod, 2 september 2014

Wat we beleefden in het buurtpostkantoor
“Аккуратно, Виллем“: Willjem (rijmend op jam) moest netjes het formulier invullen. Nu weet iedereen die mij kent dat mijn handschrift nauwelijks voor verbetering vatbaar is. Er zijn ook altijd mensen gevonden die het goed konden lezen, inmiddels zelfs een kleinkind. Waarom zou de vreemdelingendienst van Nizjny Novgorod – een stad met acht universiteiten – dan plotseling moeite daarmee hebben?

Daar kwam bij dat bovenaan de voor- en achterzijde van het formulier de letters van het Russische alfabet als model waren afgedrukt en daaronder die van het onze. Ik besloot mijn naam en paspoortnummer in ons alfabet weer te geven en de overige antwoorden in het Russische, dit om de vreemdelingendienst zoveel mogelijk tegemoet te komen. Achteraf een fatale keuze.

Intussen was mij de strekking van alle ca. 40 vragen aan de voor zijde van het formulier niet altijd duidelijk. Zo was er één regel met 35 letterblokjes gereserveerd voor het vermelden van zowel mijn vadersnaam als mijn staatsburgerschap (гражданство) en direct daaronder één regel met 34 blokjes voor mijn “родданство“, waarschijnlijk te vertalen met nationaliteit. De dame achter het loket van wie Christa en ik elk twee formulieren hadden gekregen meende dat ik een vader moet hebben gehad en dus ook een vadersnaam. Dat is dan Willem Hendrikovitch, 20 letterblokjes. De twee andere vragen beantwoordde ik met “Nederlander” respectievelijk “Hollander” hoewel het verschil tussen die twee hoedanigheden eigenlijk alleen in Friesland en Limburg wordt onderkend. Op deze beslissingen kreeg ik in latere fases van de procedure geen aanmerking.

Terwijl wij geconcentreerd bezig waren, kwamen er voortdurend nieuwe klanten met grote pakketten ter verzending het kantoortje binnen, die dan aan ons, bij de ingang gezeten op een harde bank, vroegen of wij soms de “laatsten” waren zodat zij zich in de virtuele rij achter ons konden voegen. Wij waren integendeel de eersten omdat Boris, wiens appartement we huren, voorzag dat de procedure de hele ochtend zou vergen. Wel had ik de plaats in de rij achter mij op haar verzoek gereserveerd voor een meisje dat vervolgens direct verdween voor andere bezigheden en na een half uur weer terug kwam. Gelukkig was de vierde plaats – of was het de vijfde? – toegevallen aan een oudere dame die ook op de houten bank plaats nam en ongevraagd alle aanwezigen herinnerde aan de rangorde.

Een goed geklede man vergezeld door een zoontje dat zich te slapen legde op de vloer, was hiermee niet tevreden en begon een luidkeels gesprek met de beide dames achter de loketten. Hierbij suggereerde hij dat ze te váák te lánge pauzes namen. De cheffin van het kantoor was kennelijk gewend aan dergelijke klachten en pareerde ze zonder opwinding maar wel zo duidelijk dat alle aanwezigen konden meeleven in deze ongelijke strijd. Die werd niet minder ongelijk toen de jonge vader ondersteuning kreeg van een zwerver met een fles bier in de hand en een spijkerbroek zo authentiek gescheurd als ze dat in de fabriek niet kunnen. Hij zou als laatste samen met ons het postkantoortje verlaten.

Dat kon natuurlijk pas gebeuren nadat Boris, onze gastheer, de voor hem bestemde achterzijde van de vier formulieren had ingevuld. Bovendien waren intussen achter de balie fotokopieën vervaardigd van onze beide pasporten en van de immigratieformulieren die wij reeds in het vliegtuig uit Nederland hadden ingevuld, ook in tweevoud. De vreemdelingendienst kon dus minstens van twee documenten nagaan hoe consistent met elkaar zij waren ingevuld. In het onwaarschijnlijke geval dat die dienst ook nog beschikt over de antwoorden op grotendeels dezelfde vragen ter verkrijging van ons visum in Den Haag, was er zelfs een derde bron om onze betrouwbaarheid te testen.

Ongeveer één uur voor sluitingstijd bleek dat Christa en ik beiden één van onze twee formulieren hadden bedorven, zij door één letter te verbeteren, ik door het word пенсионер (pensionaris) door te strepen omdat ik het abusievelijk had geplaatst op regel 31 van het formulier dáár waar ik eigenlijk mijn “wettelijke vertegenwoordiger” had moeten vermelden. Wij gingen opnieuw aan het werk waarbij ik nog steeds opvallend netjes schreef, letterblokje voor letterblokje. Ook de oude Boris moest natuurlijk de voor hem gereserveerde achterzijde van de beide nieuwe formulieren invullen, inmiddels voor de zesde keer. We stelden vast dat het netjes invullen van één formulier (voor- en achterzijde) ongeveer een half uur vergde.

De cheffin van het kleine postkantoor was zo verstandig om de toegangsdeur van de straat om 12.45 uur te sluiten, dit om te voorkomen dat zich nog nieuwe klanten zouden melden in het laatste kwartier van openstelling. De man met de bierfles, twee dames die nog net met succes hun enorme pakketten hadden kunnen laten voorzien van stempels en wij vormden nu dus een rij, niet om het pand in te treden maar om het te verlaten. Wij waren opgelucht omdat de verblijfsvergunning binnen de voorgeschreven vijf dagen zou kunnen arriveren. Hierbij hadden we er nog mee gerekend dat maandag 1 september een vrije dag zou zijn, de “Dag van de kennis” waarop het schooljaar in heel Rusland met veel ceremonieel begint.

Hoe Boris de formulieren naar de vreemdelingendienst zou krijgen was niet onze verantwoordelijkheid en we genoten dus met een gezond geweten een gezonde maaltijd in het buurtcafetaria. Het was onze bedoeling vervolgens enkele inkopen te doen zoals een prullenmand en een wasrek, zaken die ook in het verleden ontbraken in de door ons in Rusland gehuurde appartementen.

Wat we beleefden in het hoofdpostkantoor
Kort na de lunch ontving ik onverwacht op mijn lokale mobiele telefoon het verzoek van Boris om hem te ontmoeten in het hoofdpostkantoor vlak bij het Gorkiplein. Onze persoonlijke – fysieke zoals hij zei – aanwezigheid was gewenst bij de inlevering daar van de vier formulieren. Hier geen problemen met de volgorde van afhandeling. Boris, die kennelijk de maaltijd had overgeslagen, had al contact gemaakt met een stagiaire achter één van de vele loketten hier, Igor, een jonge man “met een vriendelijke blik” zoals Tolstoi vaak schrijft over zulke toevallige passanten in het leven van zijn hoofdpersonen. Behalve met die vriendelijke blik had Igor, jong als hij was, van de natuur een klein bocheltje meegekregen. Bij de ingang van de etage waar wij de verdere middag zouden doorbrengen hing een affiche waaruit bleek hoeveel de nieuwe medewerkers die gezocht werden voor de PTT zouden verdienen: loketmedewerkers tot 12.000 roebel per maand (ca. 250 euro), sorteerders tot 15.000 roebel en bezorgers (“postiljons”) tot 18.000 roebel. We hebben Igor niet gevraagd in welke categorie hij viel.

Igor had een handleiding voor zich aan de hand waarvan hij enkele ongerechtigheden in onze aanpak had vastgesteld. In de eerste plaats moesten de van mij afkomstige twee formulieren geheel opnieuw worden ingevuld (beide zijden) omdat ik deels andere letters dan die van het Russische alfabet had gebruikt. Het leek Boris wijsheid dat ik dat niet zelf zou doen omdat Igor mijn handschrift als niet accuraat had beoordeeld. Ik kreeg echter direct een andere taak omdat de bijgesloten kopieën van onze pasporten slechts de gebruikte pagina’s van dat document lieten zien dus die van de uitgifte en die met diverse visa. Hoe kon de vreemdelingendienst nu weten of er op de 32 niet gekopieerde pagina’s van Christa’s paspoort niet nog visa of stempels hadden gestaan als teken van haar bezoekjes aan landen waar een luchtje aan zit?

Het fotokopiëren kon geschieden op de tweede etage, bereikbaar in de regen via een buitentrap. De medewerkster die achter één van de loketten dit apparaat beheerde was in het geheel niet verbaasd over het verzoek lege bladzijden te kopiëren maar het apparaat raakte wel van slag toen het niet tijdig van nieuw papier was voorzien. Terwijl zij verdween om de voorraad aan te vullen had ik alle tijd om de afdeling “voor de philatelist” te bestuderen bij het volgende loket. Daar werd onder meer een briefkaart aangeboden met een Russische postzegel afgestempeld in Simferopol, de hoofdstad van de Krim, op de eerste dag van de terugkeer van dat schiereiland in de schoot van moedertje Rusland. Ik zou die briefkaart nog enkele malen terugzien telkens als weer nieuwe kopieën nodig waren.

Dat was allereerst nodig nu van de formulieren zelf die Christa en Boris een etage lager accuraat en correct wilden invullen, de voorraad was uitgeput. Ja, zij hadden correct en accuraat ons staatsburgerschap en onze nationaliteit aangegeven maar niet de naam van het heersende bewind in de plaats (Bremen, respectievelijk Baarn) op het moment van onze geboorte. Alle vier formulieren moesten aan beide zijden opnieuw worden ingevuld. Christa kende inmiddels mijn paspoortnummer uit haar hoofd. In haar ogen moet enige wanhoop te lezen zijn geweest toen ze werd aangesproken door een Rus die 12 jaar in Hoofddorp had gewoond, naar ik aanneem als inspecteur van de bloemenexport uit Aalsmeer. Hij had meegemaakt hoe twee Nederlanders Rusland moesten verlaten omdat ze fouten hadden gemaakt bij de aanvraag van de verblijfsvergunning.

Igor controleerde nu aan de hand van onze paspoorten of werkelijk alle pagina’s waren gekopieerd en constateerde daarbij dat de (lege) pagina’s 27 en 28 van Christa’s document waren overgeslagen. Ik haastte me om dit manco één etage hoger te verhelpen maar daarbij viel een enkele bloedvlek op blz. 27, afkomstig van de medewerkster die zich in de vinger had gesneden aan de scherpe rand van het kopieerpapier. Igor zag dat niet als een bezwaar in het vertrouwen dat de vreemdelingendienst in die vlek een teken van onze goede bedoelingen zou zien. Toen Christa hem erop wees dat Boris slechte ogen had nu hij voor de 14e keer met kleine accurate letters zijn aandeel in de procedure moest leveren, achtte hij zelfs een versoepeling mogelijk doordat diens tekst gekopieerd kon worden aan de achterzijde van de door ons opnieuw ingevulde formulieren.

Kort daarna brak het moment aan om af te rekenen: 80 roebel voor de port van de verzending van het pakket formulieren met fotokopieën naar de vreemdelingendienst, 60 roebel voor twee grote enveloppen, en 160 roebel voor de stempels die Igor op alle formulieren en kopieën had geplaatst. Boris voegde 200 roebel toe “за мороженое“, voor een ijsje, een versnapering waarop Igor zoals alle Russen zeer gesteld is. Als tegenprestatie kregen we elk een gestempeld bewijs mee van inlevering van een geldige aanvraag voor een tijdelijke verblijfsvergunning.

Epiloog
Toen wij kenbaar maakten net als vorige jaren een maand te willen doorbrengen in een Russische stad, hebben velen ons voorspeld dat we moeilijkheden zouden ondervinden. Bovenstaand relaas lijkt die voorspelling te bevestigen maar in de drie dagen sinds die zwarte zaterdag hebben we vele aardige Russen ontmoet en mooie wandelingen langs de Wolga kunnen maken. We hopen daarover nog te kunnen vertellen. Bovendien besef ik dat we in het verleden altijd een voorkeursbehandeling hebben gehad omdat andere instanties zoals de ambassade, een hotel of een universiteit onze verblijfsvergunning verzorgden. Die Rus met ervaring uit Hoofddorp had Christa ook nog geadviseerd om de procedure tegen betaling van ca. 2000 roebel uit te besteden. Samen met Boris zijn we trots dat we dat niet hebben gedaan.


Woonhuis / museum Sacharov
Nizjni Novgorod, 15 september 2014

Het moet wel echt gebeurd zijn. Beide partijen hebben het immers erkend: André Sacharov, die wel met Gandhi wordt vergeleken, heeft Nikolaj Jakovlev een klap in het gezicht gegeven, ik heb niet kunnen vinden wanneer precies en waar. Jacovlev mocht in 1983 een boek in Moskou uitgeven waarin hij hoofdstuk na hoofdstuk uiteenzet op welke manier de CIA de Sovjet Unie eronder wil krijgen. Één hoofdstuk uit dit boek werd gepubliceerd in het tijdschrift “De mens en de wet” dat, als ik moet geloven wat hierover in 1991 werd meegedeeld in een bundel gewijd aan Sacharov, een oplage had van 870.000 exemplaren. In dat hoofdstuk had Jakovlev alle laster over de verhouding van Sacharov met zijn vrouw Elena Bonner bijeengebracht met de conclusie dat de atoomgeleerde het slachtoffer was van een zionistische samenzwering. Je hoeft niet het vurig gemoed van Pushkin te hebben om hierin aanleiding te vinden voor een duel.

Die atoomgeleerde leefde op dat moment al drie jaar als balling in een klein appartement in een buitenwijk van Nizjni Novgorod. Op 22 januari 1980 was hij, zoals elke dag, op weg naar het Instituut voor de natuurkunde in Moskou toen zijn dienstauto op een brug werd aangehouden. De Procureur Generaal Rekundov las hem het besluit voor dat het Presidium van de Opperste Sovjet op 8 januari had genomen, inhoudende dat Sacharov al zijn officiële titels (drie maal Held van de socialistische arbeid) en prijzen (Stalinprijs, Leninprijs) moest inleveren, wat Sacharov weigerde. Het besluit hield tevens in dat hij diezelfde dag werd over gebracht naar Nizjni Novgorod, een stad die toen al 20 jaar “gesloten” was voor buitenlanders. Het echtpaar werd daar ondergebracht in een gastverblijf van het plaatselijk natuurkundig instituut.

Dit gastverblijf en de aangrenzende flat waar de KGB zich had gevestigd, zijn samen in 1991, één jaar na de dood van Sacharov, ingericht als museum dat sindsdien in toeristengidsen als één van de belangrijkste bezienswaardigheden van de stad wordt vermeld. De vrouwelijke directeur moest echter bij mijn bezoek toegeven dat de loop er niet erg in zit. Afgaande op het gastenboek schat ik het aantal bezoekers per jaar op veel minder dan 1000 waarvan de meesten dan nog op de jaarlijkse viering van de 21ste mei, Sacharovs verjaardag, waar natuurkundigen en mensenrechten activisten elkaar ontmoeten. Buitenlandse toeristen doen Nizjni Novgorod hoogstens aan als onderdeel van een cruise over de Wolga en de deelnemers aan zo’n cruise worden dan bij voorkeur collectief met bussen door de stad geleid. Het woonhuis van Sacharov bestaat net als de flat van de KGB uit drie kamers, in totaal ca. 60m2, veel te klein om een groot aantal toeristen te ontvangen. Bovendien is het museum moeilijk bereikbaar, want gelegen op het punt waar de 9 km lange Gagarinstraat in de steppe eindigt.

Ik heb de tocht met bus 43 gemaakt waarvan de laatste halte “van de Academicus Sacharov” heet, d.w.z. van het lid van de Academie van Wetenschappen Sacharov. Dat lidmaatschap heeft het Presidium van de Opperste Sovjet hem niet kunnen afnemen omdat de Academie daarover bij geheime stemming zelf zou moeten beslissen en de uitslag van die stemming onzeker was. Dat de Academie een zekere traditie van wetenschappelijke onafhankelijkheid had gehandhaafd was vele jaren eerder al gebleken toen in 1964 pogingen werden gedaan om aanhangers van de geneticus Lyserko in de Academie op te nemen. Sacharov en enkele andere natuurkundigen hadden toen al vastgesteld dat het testen van nucleaire wapens schadelijke genetische gevolgen moest hebben wat volgens Lysenko onmogelijk was. Ondanks de krachtige steun van partijleider Chroestjov wees de meerderheid de twee kandidaten van Lysenko af. Chroestjov heeft zijn dreiging om de Academie vervolgens op te heffen niet kunnen waar maken omdat hij kort daarna zelf in het Politbureau ten val werd gebracht, o.a. door de ideologische veteraan van de partij, Soeslov. Deze zou zelfs het vasthouden door Chroestjov aan de onzinnige theorieën van Lysenko als één van de vele beschuldigingen aan de partijleider hebben ingebracht.

Inmiddels waren die ideeën van Sacharov echter verder geëvolueerd. Hij had geconcludeerd dat wetenschappelijke vooruitgang slechts mogelijk was bij gehele vrijheid van meningsuiting. Deze werd naar zijn mening geschonden door de toevoeging in 1966 van een bepaling aan artikel 190 van het wetboek van strafrecht die vervolging mogelijk maakte wegens verspreiden van laster en leugens over de politiek van de Sovjet-Unie. Hij nam dan ook in dat jaar deel aan de demonstratie die (ook nu nog) jaarlijks wordt gehouden op 5 december, de dag van de Grondwet, bij het standbeeld van Pushkin in Moskou. Dit was het begin van een lange reeks van petities aan de politieke leiding zowel wat betreft het milieu (bijvoorbeeld het Baikalmeer) als wat betreft de vrijheid van emigratie (voor Joden en Wolgaduitsers) als wat betreft de behandeling van dissidenten. Zijn open brieven werden binnenslands verspreid via samisdat en buitenlands via correspondenten vooral van Amerikaanse en Duitse bladen. De politieke leiding antwoordde hierop met het ontnemen aan Sacharov van zijn plaats bij het geheime onderzoek naar de waterstofbom – waardoor zijn salaris halveerde – en met een campagne in de pers. Zo vergeleek een zekere Tsjakovski in februari 1973 Sacharov in de Literatoernaya Gazeta met een nar, een „юродствующий“, dus eigenlijk een heilige nar, zoals ik weet uit een opstel dat de Nederlandse slavist Adriaan Jacobovits aan dat historische fenomeen heeft gewijd. In 1975 kreeg deze heilige nar de Nobelprijs voor de vrede toegekend die hij in ontvangst nam met een rede die zijn vrouw in Stockholm uitsprak.

Kort voor zijn overbrenging naar Nizjni Novgorod had Sacharov in interviews met Westelijke correspondenten de Sovjet interventie in Afghanistan rampzalig genoemd. Hij pleitte daarbij zelfs voor Westelijke sancties tegen zijn land. Dit standpunt heeft waarschijnlijk de doorslag gegeven bij de beslissing om het bekende lid van de Academie te isoleren in de stad waar in de 19e eeuw al dekabristen naar toe werden verbannen en die inmiddels trouwens de naam Gorki had gekregen ter ere van de grote schrijver die onder dat pseudoniem beroemd was geworden. Het Russische woord Gorki heeft de betekenis “bitter” maar de Russische tradities zijn erin geslaagd om dat woord in zijn onzijdige vorm “gorko” te associëren met het hartstochtelijke zoenen van een net getrouwd echtpaar in aanwezigheid van vele vrienden en familieleden die met een glas (Russische) champagne in de hand afwachten tot het zoenen is geëindigd. Op dat moment is de wijn van bitter zoet geworden, “sladko”. Christa en ik hebben dit ritueel vaak gadegeslagen bij het eeuwige vuur dat ter herdenking van de gevallen militaire brandt in het Kremlin van NN.

Sacharov – André Dimitrevitch zoals de directeur van “zijn” museum hem familiair noemde, of Andrioeshka zoals zijn weduwe dat vertederend doet in haar mémoires – zal dat ritueel niet vaak hebben bijgewoond. Hij werd bij al zijn bewegingen in de stad gevolgd door “zijn” KGB’ers en ieder met wie hij sprak werd door die KGB’ers vervolgens gevraagd naar de inhoud van het gesprek. Hij ontving veel post, niet de brieven van vooral Amerikaanse en Duitse politici die hem moed wilden inspreken, maar wel de vele honderden brieven van eenvoudige Sovjetburgers die hem beschuldigden van verraad aan het vaderland. Van die briefen zijn enkele voorbeelden in het museum bewaard gebleven. Zoals in dit soort situaties van opsluiting en gijzeling vaak schijnt te gebeuren, ontwikkelde het echtpaar zelfs een soort vriendschap met sommige agenten van de naburige woning. Zo is het te verklaren dat Sacharov op zijn 60e verjaardag, 21 mei 1981, toen zijn vrouw in Moskou was, onverwacht bezoek kreeg van echte vrienden uit de stad die daartoe door de KGB waren opgeroepen en tot hun verbazing te horen kregen dat deze dienst hen zou vervoeren heen en terug en zelfs voor bloemen zou zorgen.

Begin 1986 had de nieuwe partijleider Gorbatshov nog op vragen van Helmut Schmidt en François Mitterand geantwoord dat Sacharov precies zo behandeld werd als elke Sovjetburger en precies zo’n woning had. Zelfs had een bekend medicus aan een Westerse correspondent gezegd dat Sacharov niet in hongerstaking was maar in het ziekenhuis van Gorki een kuur onderging op medisch voorschrift. Intussen was die hongerstaking wel degelijk effectief doordat zijn vrouw toestemming kreeg voor een medische behandeling in het buitenland. En de buitenlandse druk was ook effectief doordat op 15 december van dat jaar plotseling een telefoon werd geïnstalleerd in de woning van de balling waarop in de vroege ochtend van de volgende dag een gesprek binnenkwam van iemand die zich meldde als Gorbatshov. De KGB’ers waren gewekt door het vroege bellen en begonnen luidkeels onder elkaar te praten, wat voor de vrouw van Sacharov aanleiding was om de deur naar die buren te openen en de heren te vragen om wat stiller te zijn omdat de landelijke partijsecretaris aan de lijn was. Deze partijleider deelde de atoomgeleerde mee dat hij met zijn vrouw mocht terugkeren naar Moskou en dat daar een woning voor hen was ingericht. Sacharov antwoordde dat hij dankbaar was voor deze geste maar maakte de partijleider er in hetzelfde gesprek op attent dat enkele dagen eerder zijn vriend, de dissident Marchenko, in de gevangenis was doodgeslagen en dat er nog velen anderen alleen vanwege hun overtuiging veroordeeld waren.

Enkele jaren vóór zijn verbanning had Sacharov in de datsja waar hij als lid van de Academie over beschikte, bezoek gekregen van een kleine Nederlandse parlementaire delegatie bestaande uit de leden van de Tweede Kamer Harry van den Bergh en Ed van Thijn. Zo goed en zo kwaad als ik dat kon met mijn toenmalige kennis van de Russische taal, fungeerde ik als tolk voor hen. Daarbij maakte André Dimitrich het mij makkelijk omdat hij langzaam sprak, als het ware in zich zelf zoekend naar woorden. Anders dan André Amalrik die ons vergezelde had hij geen enkele neiging tot sarcasme, laat staan satire, waarschijnlijk omdat zijn teleurstelling over het regime, dat hij zo lang had gediend, zo ernstig was terwijl de andere André nooit ook maar een woord had geloofd van alle mooie woorden waarmee dat regime zijn burgers dagelijks bedroog. Beide Andrés hadden gemeen dat ze de problemen van de wereld (kernwapens, milieu) en die van hun land (mensenrechten, milieu) steeds verbonden met zorg over de individuele lotgevallen van bevriende dissidenten en Joodse “refuseniks” die wachtten op toestemming voor emigratie. Sacharov had zich boos gemaakt toen Westerse media bij de verspreiding van zijn Nobelprijs rede de lange lijst van namen weglieten van gewetensgevangenen die hij expres in die rede had opgenomen omdat hij wist dat het noemen van die namen die mensen kon helpen. Het deed me plezier in het gastenboek van het museum enkele namen van Nederlanders te lezen die juist om die redenen daar op bezoek waren geweest en om daar de mijne aan toe te voegen.

Christas zwager, die met haar broer bij ons logeert, legde mij uit dat het oprichten van musea, ook als die door bijna niemand bezocht worden, kan dienen om het verleden af te sluiten. In het huidige Rusland zijn er geen gewetensgevangenen op de schaal van de Sovjet Unie van de jaren zeventig en ook wordt niemand de vrijheid om te emigreren ontzegd, maar het is veel te vroeg om André Sacharov en diens idealen te vergeten. Het verheugde me dan ook in het blad “Patriotten van Nizjni” van 15 september te lezen dat op 19 oktober aanstaande – naar het schijnt de “Dag van de lyceist” – een monument zal worden onthuld op het plein aan het einde van de prospekt Gagarin ter herdenking van Academicus Sacharov. Dat gebeurt in het partijpolitieke kader van het “burgerplatform”, de partij van Michail Prochorov, tegenkandidaat tegen Vladimir Putin bij de laatste presidentsverkiezing. André Dimitrich kon het zich veroorloven om het lidmaatschap van de communistische partij in 1952 beleefd af te wijzen. Ik denk dat wij de 5 Million Roebel die het nieuwe monument volgens de krant aan Prochorov kost, vriendelijk voor kennis moeten aannemen. Mogen er nog vele mensen langs gaan en vragen, wie André Sacharov ook al weer was.


Musea
Nizjni Novgorod, 24 september 2014

Van de 38 musea die Nizjni Novogorod volgens de wegwijzer door de stad klaar heeft staan voor de nieuwsgierige toerist, hebben we er inmiddels drie bezocht, vier als ik het klooster meetel waar ik gisteren was. De wegwijzer door de stad noemt het daarbij behorende museum niet maar vertelt wel dat het klooster gesticht is in 1328 door een monnik met de, voor zijn professie niet voor de hand liggende, naam Dionises. Het heeft het Sovjetregime overleefd doordat de kamertjes van de monniken voor de volkshuisvesting werden ingezet en de drie kerken binnen de kloostermuren een bestemming kregen als archief, als restauratiewerkplaats en als winkel voor “producten”. Op het pad dat van de Wolga omhoog slingert naar het klooster, kwam mij een man tegemoet die mij groette met de woorden “Guten Tag, Genosse”.

De schrijver Maxim Gorky heeft vele jaren in de stad NN doorgebracht, hetgeen vier aan hem gewijde musea oplevert, vijf als ik de gevangenis meetel waar hij in 1889 een maand lang was opgesloten en in 1901 opnieuw. Ik hoop nog het huis te bezoeken waar hij o.a. Tsjechov ontving en de gehele opera Evgeny Onegin voor zijn vrienden zong, zowel de partijen van de mannen  als die van de vrouwen. Een ander woonhuis / museum is dat van de beroemde bas Shaljapin die in diezelfde opera in het laatste bedrijf een plaatselijke ballerina wist te verleiden door in plaats van “Ik houd van jou, Tatjana” te zingen “Ik houd van jou, Tornagi”.

Aan al deze musea komen we niet toe in de paar dagen die we hier nog hebben. Ik heb echter de patriottische hobby om in Russische provinciale musea te onderzoeken welke Nederlandse kunst daar te zien is en kan nu het resultaat voor twee musea vermelden en wel allereerst voor het kunstmuseum van Kazan. Wij hebben samen met Christa’s broer en diens man die stad bezocht, 400 km stroomafwaarts aan de Wolga, veel meer dan NN ingesteld op toeristen die daar vooral door cruises worden aangevoerd. Wij maakten ook een kleine tocht over de rivier die daar eigenlijk een stuwmeer is geworden waaronder enkele dorpjes zijn verdwenen. Afgezien van dat boottochtje beviel de stad ons niet. Natuurlijk is het bijzonder dat zich in het plaatselijke Kremlin zowel een grote moskee als een grote orthodoxe kathedraal bevinden maar beide gebouwen zijn met zoveel gebrek aan smaak en te veel aan geld gerenoveerd dat de bezoeker zich in Disneyland waant. Zoals een Russische vriendin in NN ons zei: “Logisch, dat jullie je in Kazan niet thuis voelden, dat is het Oosten hier zijn we in het Westen.”

Kunstmuseum Kazan
Maar enkele uren voordat de trein Christa en mij zou terugbrengen naar NN kon ik het Kunstmuseum bezoeken dat natuurlijk gevestigd is aan de Karl Marx Boulevard en wel in de vroegere residentie van de kommandant van het garnizoen. Net als in andere provinciale musea moeten de schilderijen van Nederlandse meesters de zaal delen met die van Franse en Italiaanse, samengevat als Westerse kunst. En net als in die andere musea wordt er een onderscheid gemaakt tussen Nederlandse – dat is vooral Vlaamse – kunst en Hollandse. De conservatoren onder het Sovjetregime hadden een voorkeur voor de laatste omdat die minder religieus is georiënteerd, minder portretten van vorsten en prinsen heeft opgeleverd, meer landschappen en herbergscènes, kortom dichter bij het volk staat. En net als in die andere musea zijn er werken te zien van schilders die de Nederlandse museumbezoeker niet kent, zoals Pieter van Laer, Lucas van Uden en Isaac Luttickhuis.Ik heb er een complete lijst van gemaakt.

Maar in een ander opzicht moet ik mijn eerdere wijsheid herzien. De collectie in Kazan is namelijk niet afkomstig van de grote distributie van geconfiskeerde kunst vanuit Petersburg en Moskou in de jaren na de revolutie zoals in die andere provinciale musea, maar grotendeels van één plaatselijke verzamelaar in Kazan, André Fedorovitch Lichatsjov (1832 – 1890). Eigenlijk zou het museum zijn naam moeten dragen, maar er is tenminste in 2007 een catalogus uitgekomen waarin o.a. zijn familiegeschiedenis uitgebreid uit de doeken wordt gedaan. Die catalogus is niet te koop maar ik mocht hem inzien in het kleine kantoortje van de conservator, Rozanna Aleksandrovna Nurgajeva.

Hieruit blijkt dat André Fedorovitch een zonderling was zoals die in de romans van Tolstoi als bijfiguren opduiken, een studeerkamergeleerde maar dan door een grote erfenis in staat om alles te verzamelen wat maar verzameld kon worden. Vanuit zijn leunstoel onderhield hij correspondentie met honderden Russische en buitenlandse antiquairs. Na zijn dood kocht Tsaar Nicolaas de Tweede zijn gehele collectie van 1500 iconen, nu te zien in de eerste acht zalen van het Russisch Museum in Petersburg. Maar in zijn kleine landhuis stelde André Fedorovitch ook enkele honderden pijpen ten toon, vitrines met munten en archeologische vondsten. Op welke manier hij de 38 Nederlandse / Hollandse schilderijen verwierf die het museum nu bezit, heb ik niet in de catalogus kunnen vinden. Enig algemeen crituerium is niet te herkennen behalve dan dat het bijna alléén 17e eeuwse meesters betreft.

De catalogus vertelt wel hoe het verder met de familie is gegaan nadat André Fedorovitch in 1890 kinderloos overleed. Zijn broer vice-admiraal Ivan Fedorovitch (1826 – 1907) kocht de collectie van de andere erven. Deze militair had deelgenomen aan de verdediging van Sebastopol tegen de Engelsen en Fransen in de Krimoorlog en was vervolgens als marine attaché verbonden geweest aan de Russische ambassade in Londen, maar hij was toch vooral, net als zijn broer, kunstliefhebber. Hij schonk het gemeentebestuur van Kazan 30.000 roebel om een museum in te richten wat vervolgens beheerd werd door Nikolaas Lichatsjov (1862 – 1936), de zoon van een derde broer. Deze behield die positie na de revolutie toen de gehele collectie was genationaliseerd. Op 28 januari 1930 werd hij echter gearresteerd op beschuldiging van contrarevolutionaire samenspanning en verbannen naar Astrachan – een zeer lichte straf voor die tijd. Reeds in 1967 werd hij, postuum, gerehabiliteerd en in 1968 werd ook zijn uitsluiting uit de Academie van Wetenschappen met terugwerkende kracht geannuleerd. Ook nu nog schrijven er nakomelingen Lichatsjov in Kazan te wonen die zich bekommeren om de collectie van hun voorouders.

Kunstmuseum Nizjni Novgorod
Eén grote en twee kleine zalen op de eerste verdieping – de etage die in Russische musea het meeste prestige heeft – van het kunstmuseum in NN zijn geheel gebruikt voor het tonen van schilderijen van Nederlandse / Hollandse meesters, in totaal 43. Ook hier weer veel namen die mij – totale leek – niets zeggen zoals Peter Tillemans (1684 – 1734), Pieter Frans de Grebber (1600 – 1653), Andries van Ertveld (1590 – 1652) en opnieuw Pieter van Laer maar nu ook enkele bekenden: Jan Miense Molenaer (2x), David Teniers, Philips Wouwerman en Jacob Jordaens. Het gebouw aan de hoge oever van de Wolga is ontworpen als museum en voltooid in de jaren 1914 – 1916 met een herkenbare Art Déco invloed. Dit gebeurde in opdracht van de rijke reder en mecenas Sirotkin die echter zelf de ingebruikneming als museum niet heeft meegemaakt. Na de Oktoberrevolutie diende het gebouw als huisvesting voor de leden van de Raad (Sovjet) van arbeiders en soldaten in NN. Maar toen het stadsbestuur in 1924 grote aantallen schilderijen uit in beslag genomen collecties kreeg toegewezen, werd het stadspaleis alsnog daarvoor ingericht.

Deze schilderijen waren dus niet afkomstig van één collectioneur en hun geschiedenis is een schoolvoorbeeld van wat er gebeurd moet zijn in veel Russische provinciale musea, jammer genoeg zonder dat dat per schilderij is gedocumenteerd. Het museum volstaat met de mededeling dat een deel van de collectie afkomstig is uit de landhuizen van de families Abomelek – Lazarev, Orlov – Davidov en Sheremetyevo. Deze laatste familie was waarschijnlijk de rijkste van Rusland, kon het zich veroorloven om kunst weg te kopen waar de tsaren interesse voor hadden.

Maar intrigerend is de mededeling dat het Museum in de jaren ’30 verrijkt werd uit de depots van de Hermitage in Petersburg en het Pushkinmuseum in Moskou. Het moet hier wel gaan om kunst die deze twee grote musea tegen de zin van de conservatoren hadden moeten ter beschikking stellen voor verkoop in het buitenland door het Ministerie van buitenlandse handel dat toen onder leiding stond van de befaamde Anastasias Mikoyan. Dit gebeurde via veilingen in Wenen, Parijs en Berlijn die echter lang niet zo voorspoedig verliepen als verwacht omdat Westerse collectioneurs te lijden hadden onder de economische depressie van die tijd. Het gevolg was dat vele honderden werken weer terugkwamen in Rusland en daar alsnog bestemd werden voor verdeling over het grote land. Van die ingewikkelde herindeling heeft de Hermitage enkele jaren geleden de archieven gepubliceerd in een boekwerk dat ik dankzij Helen van Ketwich kon verwerven.

Maar er is nog een derde periode die de inhoud van het Museum heeft bepaald en daarover heeft het Museum zelf openbaarheid betracht. Dit is de periode van – hoe kan het anders in Rusland – van de Tweede Wereldoorlog. De Wehrmacht heeft NN nooit bereikt maar lag ten tijde van de slag om Stalingrad toch  dichtbij genoeg om de stad te kunnen bombarderen, met name de Fabrieken van GAZ waar de gevreesde Sovjet tanks werden geproduceerd, dichtbij genoeg ook om kostbare verzamelingen preventief te willen evacueren. Zo ging een deel van de collectie, niet gedocumenteerd en slecht verzorgd, 2000 km naar het Oosten, Novosibirsk. Uit de bewoordingen die de directeur van het Museum in een catalogus gebruikt voor de vermelding in deze geschiedenis blijkt enige twijfel over de vraag of het Museum in 1945 alles terug kreeg.

Veel uitvoeriger is hij daarentegen over het 49ste Sovjetleger dat in 1946 in garnizoen kwam te liggen in NN en daarbij de in 1945 verzamelde oorlogsbuit – in totaal ca. 300 werken – overdroeg aan het museum van hun stad. Het betreft oude Duitse kunst (waaronder een Cranach), Italiaanse (waaronder een Tintoretto), Nederlandse (Pieter Breugel), Hollandse (Frans van Mieris, Jan Miense Molenaer, Aert van der Neer). De meeste van deze werken zijn afkomstig – geroofd – uit collecties van Hongaarse verzamelaars waarvan de namen ook genoemd worden: Dezso Szeben (3x), Janosh Biehn, Andor Ullmann (3x), Miklos Moskovits, Pal Gardon, Samuel Gluckstaal, Sandor Chatvan (3x) Bertalan Nemen, Djula Bentsen, Baron Lipoth Herzog, Ferenc Chatvan, Moritz Kornfeld (3x). Van sommige wereken is ook vermeld dat zij tentoon gesteld zijn geweest in 1937 in Boedapest. Ik neem aan dat het genoemde Sovjetleger ingezet was bij de bevrijding van die stad.

Lange tijd is dit deel van de collectie niet te zien geweest, waarschijnlijk omdat de Sovjetautoriteiten zelf twijfelden aan de legitimiteit van dit kunstbezit of althans konden begrijpen dat anderen daaraan zouden twijfelen. Van die toestand is gebruik gemaakt om vele werken te restaureren met het gevolg dat dit deel van de collectie nu in betere conditie is dan de werken die het museum in 1921 – 1925 en in de jaren ’30 kreeg. Het museum lijkt enigszins trots op deze prestatie en wijdde in 2005 zelfs een aparte tentoonstelling aan deze oorlogstrofeeën. Ik ben benieuwd hoeveel nazaten van die Hongaarse collectioneurs daar op bezoek zijn geweest.

Nog iets over Sacharov
Mijn verhaal over André Dimitrevitch heeft enkele reacties gekregen, o.a. van Alexander Münninghoff. Deze wees mij terecht erop dat het een Nederlander was die in 1968 het essay van Sacharov over de vooruitgang en de vrede naar het Westen smokkelde en dat het een Nederlandse krant was die van de publicatie de primeur had, namelijk het Parool waarvan Karel van het Reve toen de correspondent was in Moskou. Alexander heeft 20 jaar geleden de moeite genomen om het toen het opgerichte museum in NN te voorzien van een overdruk van dit artikel met de bedoeling dat die in een vitrine te zien zou zijn.

Dit was voor mij reden voor een tweede bezoek aan het museum waarbij bleek dat die overdruk inderdaad twee jaar lang was geëxposeerd maar toen was vervangen door een overdruk uit de “New York Times” en “die Welt” – dit omdat de talen van die twee bladen voor meer bezoekers bekend zijn. De directeur, Marina Viktoryevna, vroeg mij te bevorderen dat zij een vertaling van het Paroolartikel van juli 1988 zou krijgen. Die zou ze dan alsnog naast de Nederlandse tekst aan de wand spelden, als erkenning van de Nederlandse doorslag gevende bijdrage aan de bekendheid van Sacharov in het Westen.

Bij dit tweede bezoek kreeg ik ook enige opheldering over de klap die André Dimitrevitch aan de publicist Jakovlev had gegeven. Dit blijkt te zijn gebeurd in februari 1983 toen Jakovlev de brutaliteit had om Sacharov onuitgenodigd te bezoeken in NN met de bedoeling hem te interviewen. André Dimitrevitch was daartoe alleen bereid geweest wanneer Jakovlev zich publiekelijk zou verontschuldigen voor zijn lasterlijke artikel dat in een oplage van meer dan een miljoen was verspreid. Toen deze dat weigerde had Sacharov hem de klap in het gezicht gegeven.

Aanmelden nieuwsbrief

Meeschrijven voor de FMS? Stuur je inzending (maximaal 400 woorden) naar info@foundationmaxvanderstoel.nl