Eerlijk werk wereldwijd 

Fatsoenlijk werk is een universele voorwaarde voor een menselijk bestaan. In ontwikkelingslanden werken mannen en vrouwen, vaak ook zelfs kinderen, in slechte omstandigheden voor een te laag loon. Zonder een leefbaar loon kunnen gezinnen niet gevoed worden en kinderen niet naar school. De vrijheid om je bij een vakbond aan te sluiten, veilige arbeidsomstandigheden, en gelijke behandeling van mannen en vrouwen zijn enkele rechten die in veel ontwikkelingslanden ontbreken.

In sommige landen is er sprake van kinderarbeid. Naar schatting zijn er meer dan 215 miljoen kindarbeiders wereldwijd, waarvan 126 miljoen ongezond of gevaarlijk werk doen. Dit betekent dat 1 op de 7 kinderen tussen 5 en 17 jaar oud aan het werk is. Ook Nederlandse bedrijven zijn hierbij betrokken. Zo toont een onderzoeksrapport van de Landelijke India Werkgroep aan dat een Nederlands groentezaadbedrijf als joint venture partner medeverantwoordelijk was voor omvangrijke kinderarbeid in India. Van de arbeiders die peperzaden verbouwden was 18% jonger dan 14, bij tomatenzaad was dit 12%, hoofdzakelijk meisjes uit de lagere kasten. Ook verdienden deze arbeiders aanzienlijk minder dan het minimumloon. Ook is gebleken dat bij verschillende door Nederland medegefinancierde projecten in India via de Asian Development Bank, sprake is van kinderarbeid.

Er is daarom werk aan de winkel. Nederland en de EU kunnen belangrijke stappen zetten om Europese bedrijven te dwingen om er voor te zorgen dat alle arbeiders in hun keten, van bloemplukkers tot kledingnaaisters, onder fatsoenlijke omstandigheden kunnen werken tegen een leefbaar loon.

Probleem 1: Gebrek aan Transparantie

Er is een gebrek aan transparantie in de keten van in het buitenland actieve bedrijven. Om kinderarbeid te voorkomen en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden te garanderen is het van groot belang dat bedrijven hierover rapporteren. De Europese Commissie stelt zelf vast dat slechts 10% van de grootste Europese bedrijven regelmatig informatie over impact op sociaal en milieu gebied vrijgeeft. Er zijn nauwelijks verplichte richtlijnen en voorwaarden voor transparantie van bedrijven en zelfs de overheid verstrekt beperkte informatie over hun investeringen in het buitenland. De impact van investeringen en de arbeidsomstandigheden in de keten van bedrijven in ontwikkelingslanden is op deze manier slecht te controleren.

Om effectieve controle mogelijk te maken, en te voorkomen dat slechts gedeeltelijke informatie bovenkomt, moeten richtlijnen rondom transparantie op internationaal niveau worden doorgevoerd. Nederland steunt het Niet-Financiële Rapportage voorstel van de Europese Commissie om grote bedrijven (o.a. bedrijven met een netto omzet van meer dan €40 miljoen) te vragen in hun jaarverslag op te nemen of en welke internationale MVO richtlijnen het gebruikt. Ze moeten hierbij rapporteren over sociale zaken, werknemers, mensenrechten, corruptie, impact op het milieu. Bedrijven kunnen echter aangeven waarom ze op een bepaald gebied niet rapporteren. Er is geen richtlijn vastgesteld die bedrijven moeten volgen bij het rapporteren. Zij zijn vrij om zelf een methode te kiezen.

Het ontbreekt in het voorstel van de Europese Commissie verder aan mechanismen om de rapportage van bedrijven te controleren, en aan sancties om wangedrag te bestraffen. Nederland kan hier het voortouw in nemen door zelf een toezichthouder in te stellen die bedrijven in de gaten houdt en maatregelen kan nemen. Bedrijven die niet willen rapporteren over een bepaald gebied moeten dit gedegen onderbouwen met een risico-assessment.

Bedrijven gevestigd in Nederland met activiteiten in ontwikkelingslanden worden niet gestraft voor wanpraktijken, zelfs als deze bekend zijn. De Peruviaanse regering heeft in maart 2013 de ecologische noodtoestand uitgeroepen in het gebied waar oliebedrijf Pluspetrol actief is vanwege tientallen jaren door het bedrijf veroorzaakte milieuvervuiling. Het bedrijf is op papier geregistreerd in Nederland, maar er worden door Nederland geen sancties geheven om het bedrijf te straffen voor deze wanpraktijken.

Probleem 2: Geen toezichthouder

Helder geformuleerde eisen en richtlijnen voor MVO maken het mogelijk om bedrijven verantwoordelijk te stellen voor eventuele negatieve effecten op de lokale bevolking. Bedrijven moeten aansprakelijk gehouden worden voor milieu schade en negatieve sociale effecten in het gebied waar zij werkzaam zijn. Het klachtenmechanisme voor slachtoffers van bedrijfsactiviteiten in ontwikkelingslanden moet daarom effectiever en laagdrempeliger gemaakt worden. Klachten van slachtoffers van bedrijfsactiviteiten kunnen nu al ingediend worden bij het Nationaal Contactpunt OESO-richtlijnen (NCP), maar dit is nu nog erg bureaucratisch en duur, en bovendien is de rol van het NCP beperkt tot bemiddeling. Dit is een te beperkte rol.

Enige vorm van rechtsbijstand is essentieel, omdat dit anders onbetaalbaar is voor arbeiders, vakbonden en andere organisaties uit ontwikkelingslanden. Bovendien moeten het bestaan en de mogelijkheden van NCP’s beter bekend worden in ontwikkelingslanden, zodat er ook daadwerkelijk gebruik van gemaakt wordt. Ook moet het orgaan middelen krijgen om zelf onafhankelijk onderzoek te doen naar misstanden. Zolang er echter geen consequenties verbonden worden aan het niet naleven van de OESO-richtlijnen, is een klachtenmechanisme nutteloos en zullen slachtoffers weinig kunnen bereiken tegenover bedrijven die hun arbeidsrechten schenden. Sancties voor bedrijven bij misstanden en het niet naleven van de OESO-richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn daarom noodzakelijk.

Case 1: Vrouwen in de Oost-Afrikaanse bloemensector

Nederland is een cruciale afzetmarkt voor de Oost-Afrikaanse bloemensector (Tanzania, Kenia, Ethiopië en Oeganda). Werken in deze sector is echter zwaar en laagbetaald. Werknemers zoals plantagewerkers en bloemensnijders verdienen vaak minder dan het minimumloon. De werknemers zijn voor het grootste deel vrouw (70%), waarvan het merendeel bestaat uit alleenstaande moeders. Lonen zijn laag. Vrouwen verdienen US$ 1 tot US$ 1,50 per dag, onvoldoende om in hun dagelijkse levensbehoeften te voorzien. In Ethiopië zijn de salarissen gemiddeld zelfs zo’n US$ 0,70-US$ 1,00 per dag. Daarnaast moeten werknemers doorgaans verplicht veel overuren maken, vaak onbetaald en in sommige gevallen wel tot zo’n 12 uur per dag. Dit heeft vooral voor vrouwen consequenties, aangezien zij vaak ook nog voor hun gezin moeten zorgen.

De overgrote meerderheid van werknemers werkt onder een tijdelijk contract (63%). Hierdoor hebben zij weinig rechten als werknemer, bijvoorbeeld wanneer het gaat om ziekteverlof. Bij zwangerschap raken tijdelijke werkneemsters daarnaast het risico’s hun baan kwijt te raken, en er is zelden toegang tot kinderopvang. Veel vrouwen krijgen te maken met seksueel geweld en intimidatie. Werknemers die actief worden binnen een vakbond riskeren ontslag, en soms zelfs intimidatie.

De bloemensector in Oost-Afrika is één voorbeeld van een sector waar werknemers, vaak vrouw, tegen een te laag loon zwaar werk verrichten. Een leefbaar loon en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en arbeidsrechten voor vrouwen zouden de norm, niet de uitzondering moeten zijn. Nederland kan hier een cruciale rol in spelen.

Probleem 3: Gebrekkige voorwaarden aan overheidssteun

De overheid moet eisen stellen aan bedrijven die financiële of niet-financiële steun van de overheid krijgen. Bij niet-financiële steun gaat het bijvoorbeeld over handelsmissies en het ondersteunen van bedrijven met bijvoorbeeld informatie over de lokale markt. Het is van belang dat deze overheidssteun voorwaarden kent om zo eerlijke arbeid te bevorderen en negatieve impact van investeringen op milieu en maatschappij te voorkomen. Projecten die subsidie toegekend krijgen, worden gevraagd een risicoanalyse te maken en maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Financiering kan worden stopgezet indien bedrijven zich niet aan gemaakte afspraken rond MVO houden. Subsidie via het Private Sector Investeringsprogramma (PSI) wordt bijvoorbeeld alleen verstrekt aan projecten die voldoen aan de OESO-richtlijnen. Instrumenten zoals het PSI worden ook getoetst op gendergelijkheid en vrouwelijk ondernemerschap. Toch blijkt dat het aantal vrouwelijke aanvragers en lokale vrouwelijke partners voor dit fonds nog zeer minimaal is. Vrouwen zouden moeilijk kunnen voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden bij de toekenning van subsidiëring. Bij de beoordeling van subsidieaanvragen worden wel sommige gender-criteria meegenomen, maar deze zijn voornamelijk kwantitatief van aard, zoals het percentage vrouwen in managementfuncties. Ze geven geen inzicht in de kwalitatieve omstandigheden van vrouwen in bedrijven, zoals rechtsbescherming, leefbaar loon en gezondheidszorg.

Verder zijn er echter nog steeds voorbeelden van investeringen waarbij bovengenoemde richtlijnen niet zijn toegepast en waarbij transparantie ook ontbreekt. Dit is voornamelijk het geval bij het gebruik van financiële intermediairs. Deze intermediairs vormen een schakel bij investeringen zoals vermogensfondsen dat bijvoorbeeld doen. Het FMO – dat gedeeltelijk door de staat wordt gefinancierd – geeft bijvoorbeeld geld aan een vermogensfonds die dat vervolgens investeert in ontwikkelingslanden. De strengere OESO richtlijnen en IFC Performance Standards die gelden voor directe investeringen van FMO, gelden niet voor deze (indirecte) investeringen van het vermogensfonds. Bedrijven die door Nederland worden ondersteund via handelsmissies hoeven nu enkel een vragenlijst in te vullen, en worden verder geïnformeerd door de overheid over “maatschappelijke risico’s en duurzaamheiduitdagingen”. Tijdens de missies zelf wordt MVO in het programma meegenomen en wordt er eventueel gesproken met lokale NGO’s. Wanneer bedrijven in verband worden gebracht met onverantwoorde praktijken dan gaat de overheid in gesprek met het bedrijf, wat mogelijk kan leiden tot uitsluiting van toekomstige missies. Dit is te vrijblijvend.

Bedrijven die steun krijgen van de overheid, financieel of niet-financieel, moeten kunnen aantonen dat zij maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dit kan bedrijven aansporen om misstanden en risico’s in hun keten proactief door te lichten. De rol van het maatschappelijk middenveld in deze handelsmissies moet daarnaast worden vergroot. Zij kunnen misstanden signaleren, en aangeven waar en welke bedrijven onverantwoord ondernemen.

Oplossingen

  • Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen moet de norm worden, niet de uitzondering. Fatsoenlijke arbeidomstandigheden voor vrouwen en een leefbaar loon zijn hierbij essentieel. Nederlands MVO-beleid moet specifiek gericht zijn op deze onderdelen, en bedrijven moet verplicht worden gesteld hierover te rapporteren.
  • Er moeten strengere consequenties verbonden worden aan het niet naleven van de OESO-richtlijnen indien bedrijven overheidssteun ontvangen. Het moet voor alle betrokken partijen helder zijn waar de grens ligt en wat de consequenties zijn. Een eerste stap is het stopzetten van de overheidssubsidie, een tweede stap kan het invoeren van boetes zijn als er sprake is van grove overtredingen van de OESO-richtlijnen.
  • Neem concrete gender-sensitieve criteria op bij de toekenning van subsidies aan bedrijven, zoals decent work. - Zorg dat het buitenlandinstrumentarium verder ontwikkeld wordt en gender een serieuze rol hierin krijgt. De voorwaarden voor overheidssubsidies moeten beter afgestemd worden op de positie en de mogelijkheden van vrouwen.
  • Bestaande klachtenmechanismen (zoals het NCP) moeten beter toegankelijk en effectiever worden voor slachtoffers uit ontwikkelingslanden, zodat cases aan het licht komen en bedrijven aansprakelijk gesteld kunnen worden voor misstanden. Ook moeten slachtoffers toegang kunnen krijgen tot rechtsbijstand.
  • Nederland moet zich er in de EU voor in zetten dat er controlemechanismen worden ingesteld bij het voorstel voor Niet-Financiële Rapportage, zodat de rapportage van bedrijven gecontroleerd kan worden. Ook moeten er sancties ingesteld worden om wangedrag te kunnen bestraffen. Rapportage mag geen vrijbrief zijn om maatschappelijk onverantwoord te ondernemen.
  • Bij handelsmissies moet zoveel mogelijk geprobeerd worden met maatschappelijke organisaties en bedrijven in gesprek te gaan over aspecten van MVO, met name bescherming van arbeidsrechten in het betreffende land.

Achtergrond

Schone Kleren Campagne publiceerde in mei 2014 'Loon naar werken? Wat Kledingmerken doen (en laten) voor een leefbaar loon' naar kledingmerken en hun inzet om eerlijke lonen aan hun werknemers te geven. Check jouw favoriete merk en lees het rapport hier!

In de Coherentiemonitor 'Let's Walk the Talk Together ' van 2015 is ook een hoofdstuk te vinden over eerlijk werk wereldwijd. 

In mei 2015 is door de Landelijke India Werkgroep en Stop Kinderarbeid het rapport Rock Bottom uitgegeven, waarin kinderarbeid in de granietgroeves in India centraal staat. Lees hier meer.

Voor meer achtergrond over het Nederlandse MVO-beleid kun je "Blik op MVO: tien trends en ontwikkelingen" lezen van MVO Nederland.